Uitleg pictogrammen (wooncomfort)
Het wooncomfort van een vloer worden vaak gebaseerd op persoonlijke voorkeur voor het soort materiaal van de vloerbedekking. Oogt het mooi, voelt het fijn en/of is het makkelijk te reinigen. Vaak wordt vergeten dat het wooncomfort ook door andere variabelen wordt bepaald. De ondervloer en ondergrond spelen daarbij namelijk ook een belangrijke rol. Hoe is de geluidsoverdracht in een ruimte, hoe warm of koud voelt een vloer aan en hoe stabiel is deze? De woon comfort ruit helpt u om de juiste keuze te maken en geeft de belangrijkste eigenschappen weer waarop een ondervloer gekozen kan worden.
We leggen u de veel gebruikte termen duidelijk uit. Daarna geven we een uitleg van de symbolen / pictogrammen, die wereldwijd toegepast worden. Deze symbolen worden gebruikt om de kwaliteit aan te geven van de (onder)vloer.
Unifloor specificeert de waarden zijn per product . Ze staan vermeld bij de product specificaties en ook worden ze vermeldt op het etiket van elk product.
Woon comfort ruit
![]() |
Contactgeluid: Dit is geluid wat je bij de benedenburen hoort wat wordt veroorzaakt door het lopen op de vloer. In Nederland worden voor appartementen door VVE eisen gesteld van minimaal 10 dB ΔLlin contactgeluidreductie. Loopgeluid: Dit is het geluid wat wordt veroorzaakt door het lopen in de eigen ruimte. Bepalend hiervoor is de hoeveelheid lucht in de ondervloer. Ondervloeren met veel lucht geven een hoog loopgeluid en ondervloeren met weinig lucht geven een laag loopgeluid. Stabiliteit: De ondervloer is de fundering van je vloerconstructie. Te zachte ondervloeren veroorzaken teveel beweging in de vloerbedekking met alle gevolgen van dien. Vloerbedekkings-fabrikanten stellen minimale eisen aan de indrukbaarheid van de ondervloer. Warmteweerstand: Voor optimale werking van vloerverwarming moet de ondervloer makkelijk de warmte doorlaten. Dat betekent dat de warmteweerstand zo laag mogelijk moet zijn. Er worden maximale eisen gesteld aan de combinatie ondervloer met vloerbedekking. |
Wereldwijd gebruikte symbolen
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Euro- |
Rook- |
Brand- |
Praktijk |
Voorbeeld |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
A1 fl |
n.v.t. |
geen |
niet brandbaar |
natuursteen, tegels |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
A2 fl |
s1 of s2 |
nauwelijks |
praktisch niet brandbaar |
natuursteen, tegels |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
B fl |
s1 of s2 |
heel beperkt |
heel moeilijk brandbaar |
PVC, cement |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
C fl |
s1 of s2 |
gemiddeld |
brandbaar |
vloeren van |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
D fl |
s1 of s2 |
hoog |
goed brandbaar |
MDF |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
E fl |
- |
zeer hoog |
zeer brandbaar |
sommige |
||||||||||||||||||||||||||||||
|
F fl |
- |
niet bepaald |
uiterst brandbaar |
geen eigenschappen |
||||||||||||||||||||||||||||||
Benaming van de rookklassen
Naast de brandklasse kennen we ook een klassering voor de rookontwikkeling. We kennen hierin drie klassen:
s1: Geringe rookproductie
s2: Gemiddelde rookproductie
s3: Grote rookproductie
